Voor Gerard Herbrink, directeur-bestuurder DSV | Verzorgd leven is het wel duidelijk. Zorgvastgoed in eigendom zorgt ervoor dat je als organisatie de regie houdt. “Eigen vastgoed helpt je enorm om nieuwe zorgvormen te ontwikkelen. Je hebt ook niet te maken met een verhuurder die zegt: ‘Gerard, het is wel goed dat jij wil verbouwen, maar dat ga ik dus niet doen’.” Een gesprek met een eigenzinnige directeur-bestuurder over de rol van zorgvastgoed en een blik op de toekomst. “Ik denk dat we voor ouderen eenzelfde bouwbeweging gaan krijgen als die we in de jaren zestig en zeventig hebben gehad.”

Vlietstede in Rijnsburg

DSV heeft met Parledam en Duinrand in Katwijk, Vlietstede in Rijnsburg en Rustoord in Lisse, vier spiksplinternieuwe complexen staan, waar zowel psychogeriatrische als somatische zorg wordt verleend. Het vijfde gebouw van de zorgorganisatie, Salem in Katwijk, wordt op dit moment onder handen genomen. De bewoners van deze zorginstelling verhuizen binnenkort naar een tijdelijke huisvesting voor groepswonen. “De nieuw te bouwen vestiging sluit straks aan op deze nieuwe zorgvraag”, zegt Gerard Herbrink.

Mijn onderbuik zei gewoon dat het geen goed idee was

In de afgelopen jaren is onder zijn bewind bijna het complete zorgvastgoed vernieuwd. En dat zag er bij zijn komst in 2001 toch aanvankelijk heel anders uit. DSV had naast de zorgstichting, waarin het zorgvastgoed zat, tevens de Stichting Ouderenhuisvesting Katwijk: een kleine woningbouwvereniging met 400 eenheden. Bij zijn aantreden als directeur lag er een aanwijzing van het ministerie van VROM om het vastgoed dat in de Stichting Ouderenhuisvesting zat, over te dragen aan een woningbouwvereniging. Hij vond dat eigenlijk geen goed idee. “Ik kon het toen als nieuwkomer nog niet goed onderbouwen, maar mijn onderbuik zei gewoon dat het geen goed idee was.” Het pleit was echter al beslecht en de aanleunwoningen gingen over naar de rechtsvoorganger van het huidige Dunavie.

Tijd winnen

Vervolgens was het de bedoeling van het bestuur om dan ook maar het zorgvastgoed aan de woningcorporaties over te dragen. “Het scheiden van wonen en zorg werd een thema en in de hele zorgsector veelvuldig toegepast.” Herbrink wist het echter voor elkaar te krijgen om tijd te winnen. “Ik had tegen het bestuur gezegd: ‘laten we nu eerst kijken of de woningbouwverenigingen een plan hebben en in staat zijn te leveren wat wij nodig hebben’.” Het bleek uiteindelijk een goede zet.

De locatie Vlietstede in Rijnsburg zou als eerste worden aangepakt. Hierover begonnen in november 2002 de eerste gesprekken en in het jaar daarop werd de samenwerkingsovereenkomst gesloten. Herbrink: “Tot 2010 hebben we heel veel plannen voorbij zien komen. Hele mooie plannen zelfs, maar het gevoel dat we het nooit zouden realiseren was altijd wel aanwezig. Het was te groot, te veel en te megalomaan. En toen ook nog eens de crisis uitbrak, zag je bij de partner de belangstelling afnemen.”

Vlietstede in Rijnsburg

Bij de corporatie kwam een nieuwe bestuurder, deze wierp één blik op het laatste plan om er vervolgens een streep door te halen. “We hadden er bijna zeven jaar aan gewerkt en er een hoop geld ingestoken, dus wij waren op z’n zachtst gezegd not amused. We hadden helemaal niks.” Voor Herbrink was het mooi geweest en samen met een lid van de raad van toezicht, Léon Guijt, die tevens projectontwikkelaar was, besloot hij zijn eigen plan te trekken. Guijt trad af als lid van de Raad van Toezicht om als manager Vastgoed de plannen vorm te geven.

Vijf prachtige gebouwen

In 2011 is de planvorming begonnen en drie jaar later werd voor Vlietstede de eerste paal geslagen. In 2016 is de nieuwe locatie aan de Oude Vlietweg in Rijnsburg in gebruik genomen. Herbrink: “Straks hebben we vijf prachtige gebouwen staan, waarmee ik vreselijk blij en dankbaar ben dat wij die in eigen beheer hebben vernieuwd. Door het zelf te doen hebben we gebouwen gerealiseerd waarvan we zelf de kwaliteit hebben kunnen bepalen.

We hebben slagen gemaakt en iets neergezet wat goed kan concurreren met de markt. Dat hebben wij overigens kunnen realiseren”, voegt hij er aan toe, “omdat de Gemeente Katwijk en later de Gemeente Lisse, het belang van nieuwbouw voor de zorg aan de ouderen in beide gemeente hebben onderkent en het hebben willen ondersteunen door een garantiestelling af te geven.”

als de zorgvraag afneemt kunnen we de helft van het vastgoed weg zetten als een normaal appartement. Die flexibiliteit zit er in.

Hij krijgt regelmatig collega’s op bezoek die naar de gebouwen komen kijken. Menig zorginstelling is bezig met een partij voor het vernieuwen of verduurzamen van het zorgvastgoed. “Vaak zijn ze verwikkeld in de eeuwige discussie of ze wel of niet kunnen verbouwen. Voor de crisis lukte het niet, in de crisis ging het niet want het was crisis, en nu, na de crisis, lukt het nóg niet want de bouw is oververhit.”

“Als je je vastgoed niet op orde hebt wil ik niet zeggen dat je je markt verliest, maar het is wel belangrijk om grip op die markt te houden. Rustoord”, geeft hij als voorbeeld, “is nu van ons maar dat was het eerst niet. Onze rechtsvoorgangers hadden het overgedragen aan Eigen Haard. Voor de goede orde, het is absoluut geen verkeerd pand, maar het is destijds vernieuwd zoals zij toen naar de markt keken, zoals zij kwaliteit definieerden en met duurzaamheid omgingen. Als je dat pand naast anderen gebouwen van ons zet, dan zie je echt het verschil. Als ik alleen al kijk naar energie en de duurzaamheidsvoorzieningen is dat van een volstrekt ander niveau.”

Geen corebusiness

Overigens moet het volgens Herbrink wel duidelijk zijn dat vastgoed niet de corebusiness van DSV is. “Het is voor mij een hulpmiddel, net zo goed als dat ik tilliften of andere middelen nodig heb om zorg te kunnen verlenen. Als ik het goed beheer, levert het voldoende op om het te onderhouden en aan een veranderende vraag aan te passen. En wanneer je kijkt naar beeldvorming en imago heeft het ons heel sterk gemaakt. Maar het is voor ons geen investeringsobject.”

Parledam in Katwijk

DSV levert, zoals gezegd, zowel psychogeriatrische als somatische zorg. Hiervoor deelt de organisatie de locaties op twee manieren in. Er is een gedeelte met psychogeriatrische zorg met daarbij aan zorg gelieerde ruimtes. Voor de somatische zorg zijn driekamerappartementen gebouwd. “Dat betekent”, benadrukt Herbrink, “dat als de zorgvraag afneemt we de helft van het vastgoed weg kunnen zetten als een normaal appartement. Die flexibiliteit zit er in.”

Overigens is er van een afnemende zorgvraag voorlopig nog lang geen sprake. “Ik kan hier in het dorp rustig zes á zevenhonderd driekamerappartementen met een goede infrastructuur en een goede zorgstructuur wegzetten. Voor het appartementencomplex van zestig woningen hebben we inmiddels 200 wachtenden. Ze willen er wonen omdat het mooie appartementen zijn, goed afgewerkt en er zit een goede zorginfrastructuur in. Beneden is de huiskamer van de wijk gemaakt, zeg maar het clubgebouw van de ouderen. Dat spreekt mensen aan. Daar vindt men leeftijdsgenoten. Ze hebben behoefte om samen te wonen in een omgeving die geborgenheid biedt. In een complex met verschillende leeftijdsgenoten zie je toch dat ouderen snel de grip op het leven verliezen.”

Haagse beleid

Herbrink krijgt wel eens bezoek uit ‘Den Haag’. Het ‘Haagse beleid’ is er immers op gericht om mensen zo lang mogelijk zelfstandig thuis te laten wonen. “Dan wijs ik naar de overkant naar de ‘rode buurt’. Het zijn goed gerenoveerde huizen, beneden de woonkamer, keuken en het toilet en boven de slaapkamers en een badkamer. Mooie huizen voor vitale mensen. Maar zodra je de zeventig gepasseerd bent en je krijgt wat moeite met traplopen en je wordt wat onzeker ter been, dan wordt het snel een probleem. Het betekent dat je ’s nachts van boven naar beneden moet om naar het toilet te gaan. In dat soort huizen is het volstrekt onmogelijk om tot een hoge leeftijd te blijven wonen. Daar moet een oplossing voor komen.” In zijn ogen valt er dan ook aan eenzelfde bouwbeweging als in de jaren zestig en zeventig niet te ontkomen. “Aangepast bouwen voor ouderen, zoals we dat bijvoorbeeld hier in Parledam hebben gedaan, wordt echt een gegeven, daar ben ik van overtuigd.”